NeerlandiNet - Neerlandistiek in Suid-AfrikaArgief
Tuis /
Home
Briewe /
Letters
Kennisgewings /
Notices
Skakels /
Links
Boeke /
Books
Opiniestukke /
Essays
Onderhoude /
Interviews
Rubrieke /
Columns
Fiksie /
Fiction
PoŽsie /
Poetry
Taaldebat /
Language debate
Film /
Film
Teater /
Theatre
Musiek /
Music
Resensies /
Reviews
Nuus /
News
Slypskole /
Workshops
Spesiale projekte /
Special projects
Opvoedkunde /
Education
Kos en Wyn /
Food and Wine
Artikels /
Features
Visueel /
Visual
Expatliteratuur /
Expat literature
Reis /
Travel
Geestelike literatuur /
Religious literature
IsiXhosa
IsiZulu
Nederlands /
Dutch
Gayliteratuur /
Gay literature
Hygliteratuur /
Erotic literature
Sport
In Memoriam
Wie is ons? /
More on LitNet
Adverteer op LitNet /
Advertise on LitNet
LitNet is ’n onafhanklike joernaal op die Internet, en word as gesamentlike onderneming deur Ligitprops 3042 BK en Media24 bedryf.

Die Nederlandse Taalunie

Een nieuwe Lof der zotheid

Hendrik-Jan de Wit

De mensheid zij geprezen, Lof der zotheid 2001
Arnon Grunberg
Amsterdam: Athenaem/Polak&Van Gennep
ISBN: 90-253-1740-5
127 pag
Prijs: fl. 29,95

In opdracht van de organisatie Rotterdam Culturele Hoofdstad schreef Arnon Grunberg de 21e eeuwse variant op de beroemde Lof der zotheid van Desiderius Erasmus. Grunberg schijnt verrast te hebben geroepen dat hij het boek dan toch eens moest gaan lezen, toen hij de opdracht kreeg. Dat de opdrachtgever zich niet vergist heeft in de keuze op Grunberg blijkt uit het resultaat. Het boekje De mensheid zij geprezen is het lezen meer dan waard en werkt net als zijn zestiende eeuwse voorganger sterk op de lachspieren.

‘Geen beest is zo gelasterd als de mens’, opent de verteller zijn verdedigingsrede voor de mens. ‘Het wordt tijd om iets moois over de mens te verkondigen, en over alles wat hij heeft voortgebracht. Het wordt tijd om een loflied op de mens te gaan zingen, want als het nu niet gebeurt, dan gebeurt het nooit meer. En wie zou dat niet beter kunnen dan ik? Ik zing graag en ben een mens. Al ontkennen sommigen dat.’(5) Een dapper begin voor een verdediger van de mensheid. Zijn naam blijft de gehele tekst helaas verborgen voor de lezer. Hij springt wel als enige in de bres voor de mensheid; althans dat beweert hij.

De verteller haalt voor dit karwei zijn eigen getuigen uit de kast. Ieder mens heeft wel iets goeds in zich, zelfs de slechte mensen. In de verdediging passeren menig schrijver, filosoof, cineast en andersoortige grootheden de lezer voorbij. In combinaties die zeker de lach uitlokken; zo noemt hij: Dante, Aristoteles, Rabelais, Nooteboom, Swift, Dostojevski en Horatius. De redenatie achter de verdedigingsrede van de verteller is de volgende: ‘Ik trap niet omlaag, ik verhef, ik haal de mens uit het modderbad waarin de getuigen van de aanklager hem hebben ondergedompeld. En niemand zal beweren dat het een weldadig modderbad is, waar je herboren, fris als een hoentje uitstapt.’ (7) De mens is een held en dat moet de lezer weten ook: ‘Voor mij is iedere onschuldige die ik moet verdedigen een held.’ (12)

Vervolgens behandelt Grunberg allerlei kenmerken van de mens. De verteller weet alles op magistrale wijze te resumeren tot twee wezenlijke kenmerken van de mens: genot en wreedheid. Alles in het mensenlevend draait om deze twee spillen. ‘De theorie van alles is de theorie van het genot.’ (64) In die lijn past de wreedheid eveneens. Zonder de wreedheid ‘zouden het genot en de schoonheid wel kunnen inpakken.’ (68) De beschaving heeft de wreedheid zeker niet weggenomen; ze is enkel subtieler geworden en daardoor gemener. ‘Beschaving is aan het zicht onttrekken.’ (70) en wreedheid tiert weliger dan ooit. Alles, werkelijk alles, plaatst de verteller in dit perspectief. Zelfs de zorg om de medemens wordt veroorzaakt door genot en wreedheid en de schoonheid van de lelijkheid valt op die manier ook binnen deze zienswijze. ‘Niet geld maakt alles mooi, maar de lust.’ (82)

De 85 afdelingen waaruit de tekst bestaat, bevatten herziene inzichten en beweringen. Grunberg laat zien dat hij de registers van het essay uiterst fijngevoelig en nauwkeurig beheerst. Op grandiose wijze weet hij onze versteende opvattingen naar zijn hand te zetten. Zoals de burgerlijke mening over democratie: ‘Overigens is het mij een raadsel hoe men mijn cliŽnt met de ene tong ervan kan beschuldigen een manipulator te zijn, en daarom een booswicht, en met diezelfde tong de democratie kan prijzen. Terwijl alle aanwezigen zullen beseffen dat die democratie niets anders is dan een gestroomlijnde manipulatie.’ (114)

Het loflied weet zelfs ons rechtssysteem tot in de misdaad te wringen: ‘Rechters, aanklagers, getuigen, toehoorders, het vooruitzicht op genot, ook wel genoemd: beter leven, legitimeert slavernij, uitbuiting, oorlog, het legitimeert demografische correcties en onder andere moord. Het kan niet anders of het moet ook de daden van mijn cliŽnt legitimeren.’ (120) Een dappere verdedigingsrede is dit boek; dat gretig gebruik maakt van de spot. Net als zijn voorganger Erasmus weet Grunberg de eenvoudige argumentatie waarmee hij een afdeling begint, te laten ontsporen in de meest absurde toestanden. Grunberg mag zich wat mij betreft, in het rijtje van grote spotkunstenaars voegen.

Het boek is doortrokken met allerlei prikkelende voorbeelden en opvattingen. Op uiterst geraffineerde wijze weet Grunberg zijn argumentatie om te buigen in schijnargumentatie. Vanzelfsprekend werkt dit op de lachspieren. Toch vind ik dat zijn opvattingen zeker niet naar de borreltafel verwezen moeten worden. Het aloude beeld van de wereld als een theater weet de verteller samen te voegen tot het even clichematige beeld van de mens als marionet. Volgens de verteller is de wereld een poppenkast, waarbij de mensen de marionetten van het spel zijn.

Door het hele boek heen is dit beeld op het menselijke bestaan verweven en de verteller weet deze metafoor op prachtige wijze uit te werken. ‘Begeerte is het perpetuum mobile van onze poppenkast en wie dat niet bevalt moet de poppenkast in brand steken en de voorstelling afgelasten, maar niet mijn cliŽnt de schuld geven en in de beklaagdenbank zetten. Hij heeft het script niet geschreven en de kostuums niet genaaid, hij heeft het plot niet bedacht en zijn eigen rol niet gekozen. Hij wilde alleen maar zijn eetlust bewaren. Zijn rol schrijft hem nu eenmaal voor met heel zijn hart en ziel te geloven dat wat hij heeft niets is. En wat de anderen hebben alles is.’ (30)

In ieder item komt de verteller wel even terug op het beeld van de poppenkast. Helaas (of juist: gelukkig) verklapt Grunberg niet wie er dan wel schuldig zijn. Hij laat de poppenkastspeler en de scriptschrijver ongenoemd. Wel wijst hij een mogelijke dader aan in het advies dat hij aan het einde van zijn loflied aan de lezer meegeeft. De lezer moet het spoor van JC (Jezus Christus) volgen. Dat lost alle problemen op. De schuldige meldt zich bij de dader die op zijn beurt weer schuldig is, waardoor niemand schuldig is en iedereen vrijuit gaat! ‘Lijden is de roeping van de ander. Volg het voetspoor van JC. [Ö] Dan nu, werp u op de grond, en schreeuw uit volle borst, schreeuw met alle passie die u nog in u hebt: ‘Baby Jesus, Baby Jezus, Baby Jezus.’ En ik zal antwoorden; ‘Hello Stranger.’’ (127)

De mensheid zij geprezen vormt een blinkend werk in het oeuvre van deze schrijver. De opdrachtgever heeft zich zeker niet vergist in zijn keuze op hem. Net als zijn voorganger Erasmus vertoeft hij meer in het buitenland dan in zijn geboorteland. Net als zijn voorganger Erasmus weet hij op magistrale wijze gebruik te maken van onze alledaagse denkbeelden; hij buigt ze om in de meest absurde gedachten. Het enige verschil tussen Grunberg en Erasmus is dat de eerste niet vergruist is; hij kreeg zelfs een uitnodiging van de stad Rotterdam om een dergelijk werk te schrijven. Dit kan van Erasmus niet gezegd worden. Pas in de twintigste eeuw wordt deze schrijver door zijn geboortestad geŽerd; daarvoor wilden ze niet zoveel met hem te maken hebben. Misschien dat het standbeeld van Erasmus een bladzijde van De mensheid zij geprezen omslaat bij het slaan van de klok van de Laurenstoren in zijn geboortestad. Misschien dat door het galmen van de klok een bulderlach te horen is. Dat zou de grootste eer kunnen zijn die Grunberg kan verdienen: en hij heeft het verdient zo blijkt uit zijn essay.

terug    /     boontoe


NOT FOUND